Close Menu

Deskundigenteam Duin- en kustlandschap

Oude successiestadia in de duinen

Probleemstelling: In de duinen behoren veel gebieden tot de stikstofgevoelige N2000 habitats. In de huidige herstelpraktijk ligt de nadruk op het verwijderen van stikstof door ingrijpen in de bodem (plaggen), en het vergroten van de eolische dynamiek om de bodem te verjongen (aanleg stuifkuilen, overstuiving vanuit de zeereep). Zulke maatregelen dragen vooral bij aan herstel van pionierbegroeiingen en jonge stadia van duingrasland en daarnaast ook aan kwaliteitsverbetering van oude, verzuurde duingraslanden door lichte overpoedering met kalkhoudend zand. Tot nu toe is in het duinbeheer echter weinig aandacht geweest voor de oudere stadia van successie in de open duinen, en de kennis hierover is beperkt. Tegelijkertijd komt een groot deel van de soortenrijke duingraslanden en duinheiden juist voor op oude bodems. Voor de biodiversiteit zijn deze oudere stadia belangrijk, door de hogere organische stofgehalten. Hierdoor wordt de beschikbaarheid van vocht voor de vegetatie hoger, en vormt zich een complexer ecosysteem in de bodem met meer biota en een verfijnder voedselweb. Het aantal mycorrhiza-schimmels, die voor veel duinplanten van belang zijn neemt mogelijk toe. 
Op dit moment is er weinig specifieke aandacht voor het (herstel)beheer voor de ontwikkeling en kwaliteit van deze oude stadia van duingrasland. Tevens kan een te hoge stikstofdepositie een belemmering vormen voor de ontwikkeling van soortenrijke oude duingraslanden en duinheides. Een belangrijke vraag is daarom hoe het behoud en ontwikkeling van deze oudere stadia kan worden gewaarborgd. Zulke kennis is belangrijk voor zowel de korte (oude stadia behouden) als lange termijn (oude stadia ontwikkelen) in de planning van het duinbeheer. 

Beleidscontext: Dit onderzoek kan bijdragen aan een gunstige staat van instandhouding van de biodiversiteit in de open duinen die met het Programma Natuur wordt nagestreefd. Voor het natuurbeheer geeft het onderzoek handvatten voor hoe oude soortenrijke duingraslanden en duinheiden kunnen worden ontwikkeld en behouden. Dit verbreedt ook het pallet van herstelstrategieën voor de kustduinen en vergroot daarmee de kans dat een groot deel van de prioritaire habitats  een gunstige staat van instandhouding bereikt. Het onderzoek kan ook leiden tot een evenwichtige mix van maatregelen die zowel verjonging van duingraslanden als successie naar en het behoud van oudere stadia in kalkrijke en kalkarme duinen bevorderen. 

Doel van het onderzoek: Voor beheerders is het van belang om meer inzicht te krijgen in de rol van oudere stadia voor de biodiversiteit, maar ook in wat de bedreigingen zijn en hoe daar (beter) op geanticipeerd kan worden in het beheer, vooral in gebieden waar maaien door de terreingesteldheid een probleem is. Het onderzoek moet d.m.v. tijdreeksanalyses meer inzicht geven in wat het lot is geweest van oudere stadia als gevolg van vergrassing en verstruweling, maar ook als gevolg van verjonging door beheersingrepen. Ook de vraag in hoeverre de door N-depositie bedreigde oude stadia hersteld kunnen worden door (intensieve) begrazing of afzetten van struweel is van belang. Het eindresultaat bestaat uit een handreiking hoe oudere successiestadia  kunnen worden gelokaliseerd, hoe de toestand kan worden beoordeeld en welk beheer gunstig cq. nadelig is voor behoud, ontwikkeling en herstel hiervan. Deze resultaten zijn ook van belang voor het Rijk en provincies t.b.v. de uitwerking van N2000 beheerplannen en evaluatie van de toestand in N2000 gebieden. De resultaten uit het onderzoek worden tevens vertaald naar input voor de revisie van de habitatherstelstrategieën. 

 

Mega-suppleties en zeewaartse duinontwikkeling

Probleemstelling: Tegengaan van de achteruitgang van de duinnatuur in door stikstofdepositie en coastal squeeze door zeespiegelstijging en uitbreidend menselijk medegebruik in dicht bewoonde gebieden (e.g. Zuid-Hollandse duinenkust).  Uitbreiding van duinnatuur door zeewaartse oplossingen; randvoorwaarden voor inrichting/uitvoering van zeewaartse oplossing t.b.v. optimaliseren mogelijkheden voor ontstaan van nieuwe duinnatuur. 

Beleidscontext: Op een aantal plaatsen is het Nederlandse duingebied smal en/of druk bewoond. Op dergelijke plekken is de duinnatuur regelmatig van magere kwaliteit. Als de nu waargenomen versnelling van de zeespiegelstijging doorzet, dan zullen in dergelijke gebieden of zeekerende dijken moeten worden aangelegd of zal overwogen moeten worden zeewaarts te gaan. Bij een zeewaartse uitbouw van de kust zal ook het potentieel oppervlak voor duinnatuur kunnen toenemen. Stakeholders die dit aangaat zijn waterkering- en natuurbeheerders langs de kust, gemeentes, provincies, RWS. 
Waar kusten zeewaarts kunnen worden uitgebouwd en duinvormende processen worden toegestaan zal nieuwe duinnatuur ontstaan. Op deze wijze kunnen nieuwe kwaliteiten verkregen worden die de effecten van coastal squeeze en stikstofdepositie ongedaan maken. Als na verloop van tijd in het nieuw ontstane gebied kustafslag wordt toegestaan kan door instuiving en doorstuiving de verouderende natuur achter de zeereepduinen een verjongingskuur krijgen met kalkrijk zand. Door kustuitbouw gevolgd door kusterosie zal een veelheid aan submilieus ontstaan die talrijke duin-gerelateerde habitats zullen faciliteren. 

Doel van het onderzoek: Inventarisatie van bestaande projecten/natuurlijke situaties van kustuitbouw

  • Inzicht in de verschillen tussen een megasuppletie gevolgd door kustlijnfixatie of juist weer loslaten van de kust. 
  • Inzicht in de verschillen/overeenkomsten in natuur tussen aangelegde en natuurlijke kustuitbouw 
    Tijdens aangroei-fase 
  • Inzicht in het effect van de manier van aanleggen van een kustuitbouw op de landschaps(ecologische) ontwikkeling. 
  • Inzicht in optimale vormen van ontwikkeling van geomorfologie van duinlandschappen bij een megasuppletie.  
  • Inzicht in optimale ontwikkeling van gradiënten in zoutspray, zanddynamiek, hydrologie en ecologie optimaal tot ontwikkeling komen.  
  • Inzicht in de benodigde tijdsduur voor het ontwikkelen van een volwaardige levende duinnatuur op het geomorfologische landschap. 
  • Inzichten hoe de al bestaande landschappen kunnen profiteren van meer dynamiek en extra zand vanuit dit nieuwe duingebied. 
  • Inzicht in hoe ongewenste effecten op  de bestaande, landwaarts liggende landschappen kunnen worden voorkomen. 
  • Inzicht in hoe het zand van de duinen gevormd in de aangroeifase kan bijdragen aan zoetwaterzekerheid en waterveiligheid. 
    Tijdens afslag-fase 
  • Inzicht in hoe afslagduinkusten zich optimaal kunnen ontwikkelen (bv. paraboolduinen, sluftervorming etc). Zie verder aangroeikust. 
  • Inzicht in hoe het zand van de duinen gevormd in de aangroeifase via landwaarts windtransport kan bijdragen aan zoetwaterzekerheid en waterveiligheid