Expertisegroep Fauna
De Expertisegroep Fauna adviseert de deskundigenteams over onderzoek aan fauna en agendeert specifieke faunaproblemen. Knelpunten en kansen voor kenmerkende diersoorten worden uitgewerkt tot een fauna kennisagenda, die wordt ingebracht bij de OBN deskundigenteams. Belangrijke aandachtspunten zijn het beheer van fauna in relatie tot stikstof, aantasting en beheer van voedselkwaliteit en de sterke achteruitgang van insecten.
De Expertisegroep Fauna heeft een eigen onderzoek, maar levert vooral bijdrages aan de onderzoeken van de overige acht deskundigenteams. Expertisegroep Fauna is bij de volgende onderzoeken betrokken:
In samenwerking met Duin- en kustlandschap:
In samenwerking met Nat Zandlandschap:
- Achteruitgang van kenmerkende diersoorten in vennen.
- Predadvies effecten van recreatie op de kwaliteit van Nederlandse ecosystemen
Eigen onderzoek:
Oorzaken achteruitgang van biomassa van insecten
Probleemstelling: In de afgelopen decennia blijkt vrijwel ongemerkt meer dan 75% van de insectenbiomassa te zijn verdwenen. Als mogelijke oorzaken worden gesuggereerd: het weglekken van insecten uit relatief kleine natuurgebieden naar het agrarisch gebied erom heen, het inwaaien van pesticiden en stikstofdepositie. Binnen de Expertisegroep Fauna van OBN is een deskundigenconsultatie geweest over welke insecten- groepen kwantitatief sterk zijn achteruitgegaan in de afgelopen decennia en wat daarvan de mogelijke oorzaken zijn. Als we van deze opsommingen het net ophalen zien we een paar frequent terugkerende mogelijke oorzaken: pesticiden, verschuivingen in de stoichiometrie, verdwijnen van planten als voedselbron, biotoopverlies en versnippering. De focus zal in dit onderzoek liggen op de effecten van pesticiden en stikstof gerelateerde verschuivingen in stoichiometrie, aangezien deze in potentie erg groot, maar in de praktijk slecht bekend zijn. Dit geldt zowel voor de afzonderlijke als de cumulatieve effecten.
Beleidscontext: In het beleid is recent aandacht gekomen voor de dramatische achteruitgang van insecten. Ook is het Deltaplan Biodiversiteitsherstel ondersteund met onderzoek in zogenoemde living labs. Onderzoek aan insecten in dit voorstel zal in belangrijke mate ondersteunend zijn aan de diverse metingen aan insecten biomassa, dat met cameravallen wordt opgestart.
Doel van het onderzoek: Het voornaamste doel van het onderzoek is een weging te maken van de bovengenoemde mogelijke oorzaken van achteruitgang van insecten. Welke factor(en) spelen waar en in welke mate een (hoofd)rol? De focus zal liggen op onderzoek naar de effecten van N depositie en de mogelijke gevolgen van een mix van pesticiden, waarbij de aandacht vooral uit zal gaan naar additieve en synergistische effecten van de vele soorten pesticiden die nu in de bodem van ook natuurreservaten worden gevonden. Daarnaast zal rekening worden gehouden met effecten van klimaatverandering en andere inmiddels beter bekende oorzaken, zoals verlies van habitat en versnippering. In welke mate deze knelpunten bijdragen aan de insectensterfte, is te achterhalen door hun effecten te bestuderen op een modelsysteem, bestaande uit een voorheen talrijke en nu sterk afgenomen insectensoort in (trofische) samenhang met zijn omgeving. Bladluizen vormen hiervoor een goed
model, dat meerdere keren in de deskundigenconsultatie is genoemd. De dieren vormen stapelvoedsel voor vele andere insectensoorten en zijn daarmee een sleutelsoort in meerdere voedselketens. Zelf zijn ze fytofaag en zullen direct reageren op stoichiometrische veranderingen in de waardplanten. Doordat ze monofaag leven op bomen in stikstof- en fosforgelimiteerde systemen is de kans groot dat dit soorten betreft die gevoelig zijn voor verschuivingen in stoichiometrie.