Deskundigenteam Laagveen- en zeekleilandschap
Kansrijkdom voor ontwikkeling N2000 habitats in vernatte veengebieden
Het doel van dit project is het maken van een kennisoverzicht over het belang van biogeochemische en hydrologische factoren voor de kansrijkdom voor hoogwaardige natuur bij vernatting. Met het kennisoverzicht kan de bepaling van de kansrijkdom en risico’s van vernatting voor (nieuwe) natuur verbeterd worden. Verder is dit kennisoverzicht van belang voor de nabije toekomst, om te voorkomen dat vernatting in het agrarisch veenweidegebied alleen maar leidt tot eutrofe moerassen.
Probleemstelling: in de komende decennia wordt het in delen van Nederland door klimaatverandering, stijging van de zeespiegel en bodemdaling steeds lastiger om de huidige grondwaterstand vast te houden. Ook komt door inklinking en veraarding van veen veel CO2 vrij, waardoor de klimaatproblematiek toeneemt.
Op langere termijn is dit niet houdbaar en zullen we anders moeten omgaan met ons landschap. Hierbij wordt gedacht aan vernatting, waarbij natte natuur en nattere vormen van landbouw (paludicultuur) kunnen worden ontwikkeld. Vernatting biedt ook een kans voor de duurzame instandhouding van bedreigde mesotrofe natuur als trilvenen (H4170A), blauwgraslanden (H6410) en veenmosrietlanden (H7140B) en kruidenrijke graslanden in laagveengebieden en beekdalen. Vernatting kan verzuring en aantasting door hoge N-depositie tegengaan en mogelijk zorgen voor nieuwe plekken waar de habitattypen zich kunnen ontwikkelen.
Voordat er op grote schaal vernat kan worden, is meer inzicht nodig in de kansrijkdom van verschillende gebieden voor hoogwaardige natuur, om te voorkomen dat vernatting alleen maar leidt tot eutrofe moerassen.
Aard van het onderzoek: het onderzoek bestaat uit drie onderdelen: 1. een synthese en integratie van bestaande kennis; 2. Identificatie van mogelijke kennislacunes en kansen voor vernatting in samenspraak met expert en stakeholders; 3. Invulling van de gevonden kennislacunes in nader (veld)onderzoek. Dit veldonderzoek bedraagt ongeveer een derde van het totale prpject en sluit aan op lopend onderzoek naar vernatting in laagveengebieden en beekdalen, dat deels door OBN en deels door de provincies wordt betaald.
Eutrofiëring bij natuurontwikkelingsprojecten als gevolg van erosie, uitspoeling en/of afspoeling in laagveengebieden
Maatregelen als plaggen, begreppelen, de aanleg van natuurvriendelijke oevers, invoering van een flexibeler peilbeheer en het stimuleren van inundaties leiden in het laagveengebied vaak tot positieve resultaten voor de (semi-)terrestrische natuur. Dit is in veel Nederlandse laagveengebieden ook hard nodig, omdat het areaal en de kwaliteit van onder andere blauwgraslanden, veenmosrietlanden en trilvenen achteruit gaat. Helaas gaan dergelijke inrichtings- en herstelmaatregelen soms samen met een achteruitgang van de kwaliteit van het oppervlaktewater, wat ongewenst is voor de daarvoor geldende Natura2000, biodiversiteit- en KRW-doelen.
Probleemstelling: In natuurgebieden is er over uitspoeling, afspoeling en erosie van nutriënten en organisch materiaal weinig bekend. Hierdoor moeten er grote aannames worden gemaakt voor zowel de kwantiteit van deze verschillende waterfluxen als de P, N en C-concentraties en de veranderde redoxomstandigheden (bijvoorbeeld door hogere waterpeilen). Dit maakt het momenteel vaak erg lastig (en regelmatig zelfs onmogelijk) om voor natuurgebieden goed in te schatten hoe belangrijk uitspoeling, afspoeling en erosie vanuit oevers en percelen zijn voor de waterkwaliteit en emissie van broeikasgassen.
Aard van het onderzoek: Na literatuurstudie (stap 1) volgt het aanscherpen van kennis- en datalacunes op basis van de informatie uit de literatuurstudie (stap 2). Daarna het opstellen van algemene vuistregels (indien mogelijk), en aangeven welke essentiële kennis nog ontbreekt en het opstellen van een nader uitgewerkt onderzoeksplan voor het ontwikkelen van een openbaar toegankelijke digitale tool in een vervolgonderzoek. Stap 3: Inzicht in de aanpassingen en mogelijkheden van de huidige inrichtings- en herstelmaatregelen om de eutrofiering te minimaliseren. Stap 4: Opstellen van de rapportage, waarin de literatuurstudie en analyse van de beschikbare data, alsmede de vuistregels en mogelijkheden voor een digitale tool worden uitgelegd en besproken.
Onderzoek waar het Deskundigenteam Laagveen- en zeekleilandschap ook bij betrokken is:
- Veldexperiment Verbrakking Westzaan
- Herstel van hoogveenbossen in laagveengebieden
Meer informatie
- Naar vernatting ten behoeve van natuurontwikkeling en -herstel binnen Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland: Sturende factoren en processen die de kansrijkdom bepalen
- Rode Amerikaanse rivierkreeften in Nederland: relaties met milieu- en omgevingsfactoren
- Bureaustudie naar het effect van uitheemse rivierkreeften, andere grazers en biobouwers