Deskundigenteam Droog zandlandschap
Functioneel herstel van schraalgraslanden in het droge heidelandschap
Probleemstelling: In navolging van adviezen van het DT Droog zandlandschap over complete heidelandschappen wordt bij de ontwikkeling van beheer- en herstelmaatregelen in het droog heidelandschap meer rekening gehouden met landschapsecologische variatie en potenties die volgen uit de variatie in geologie (moedermateriaal) en historisch landgebruik (bodemopbouw, bronpopulaties): dé heide bestaat niet. Toch blijven herstelmaatregelen hier nog steeds sterk gericht op door dwergstruiken gedomineerde vegetaties (droge heide) en het door iconische plantensoorten gekenmerkte heischraal grasland. De diversiteit en bijzondere functie van aanzienlijke oppervlakten grazige vegetaties op basenarme groeiplaatsen van het droog heidelandschap zijn niet in beeld of worden als ‘slecht ontwikkeld’ of ‘gedegradeerd’ beoordeeld.
Er zijn sterke aanwijzingen dat in heidelandschappen met gradiënten met droge heide en een flink aandeel schraalgrasland de soortdiversiteit en het voedselaanbod aanzienlijk zijn verhoogd ten opzichte van situaties met alleen droge heide, met meer uitwijkmogelijkheden voor karakteristieke soorten flora en fauna.
Beleidscontext: In het beleid heeft herstel van natuurkwaliteit een sterke focus op maatregelen uit het PAS deel II. Functioneel herstel en de inbedding van maatregelen op landschapsschaal (PAS deel III) zijn met name voor het ‘statische’ droog zandlandschap nog onvoldoende uitgewerkt in de huidige generatie Natura 2000-beheerplannen. Hierdoor worden kansen op duurzaam herstel nog niet goed benut. De in het voorstel beschouwde grazige vegetaties gelden veelal als ‘niet-kwalificerend’ voor habitattype Heischrale graslanden en zijn daarmee ‘vogelvrij’ voor omvorming. ‘Acid grasslands’ zijn in het buitenland wel expliciet in beeld als doel voor beleid en beheer. Belangrijker dan het eventueel aanpassen van definities van habitattypen is inbedding van het inzicht dat het leefgebied van karakteristieke soorten van habitattypen afhankelijk is van tal van niet-kwalificerende begroeiingen.
Doel van het onderzoek: Het onderzoek is verkennend van aard: waar en hoe leveren schraalgraslanden op de droge hogere zandgronden in Nederland een belangrijke bijdrage aan het functioneren van een compleet droog heidelandschap. Welke oplossingsrichtingen bieden schraalgraslanden voor het herstel van zo’n landschap? Welke kenmerken (indicatoren) kunnen hiervoor worden gebruikt en hoe zijn deze kenmerken ontstaan?
Herstel rijkere eikenbossen
Probleemstelling: Naast de eikenbossen van de leemarme zandgronden is het duidelijk dat ook op de rijkere groeiplaatsen met habitattype Beuken-eikenbossen met hulst sterke effecten van stikstofdepositie optreden. Er is sprake van verzuring en ophoping van stikstof, met gevolgen voor natuurwaarden. Deels betreft dit oude bosgroeiplaatsen met eik waarin ook oud-bosplanten als dalkruid en bosanemoon voorkomen. Er is hier van oorsprong meer buffering aanwezig en het systeem functioneert anders dan de eerder genoemde arme eikenbossen. Te verwachten is dat de systemen op meer lemige bodems makkelijker terug kunnen veren als ze onder de druk van jarenlange grote overmaat aan stikstofdepositie uit kunnen komen. Hoe dit te bewerkstelligen zonder langdurige nadelige effecten op het ecosysteem is echter onduidelijk. Aan de ene kant moet de opgehoopte stikstof (veelal in de organisch laag) uit het systeem verwijderd worden, maar aan de andere kant moet de verzuring en onbalans in voedingselementen verminderd worden. En verder moeten de waarden gekoppeld aan oude bosbodems niet verloren gaan. Het is dus van belang dat er een strategie ontwikkeld wordt die hier perspectief gaat bieden. Vanwege de grote complexiteit en aansluitingsmogelijkheden op eerder onderzoek wordt hier gericht ingezet op eikenbossen op goed-gedraineerde, lemige zandgronden en leemgronden met soorten als dalkruid, bosanemoon, witte klaverzuring en salomonszegel: de rijke vleugel van habitattype Beuken-eikenbossen.
Beleidscontext: Kwaliteitsverbetering van het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst is een belangrijk Natura 2000-doel in veel gebieden, maar de mogelijkheden hiervoor zijn eigenlijk te gering zolang de stikstofdepositie hoog blijft. Mede omdat maatregelen zelf ook deels negatieve gevolgen hebben en onbalans van voedingstoffen door hoge stikstofdepositie snel terug kunnen keren. Het zal als de stikstofdepositie is gedaald ter hand moeten worden genomen maar een goede strategie daarvoor ontbreekt nog. Het is dus van belang dit te onderzoeken, zodat er perspectief is als de stikstofdepositie is gedaald.
Doel van het onderzoek: Om straks als de depositie door het beleid voldoende is gedaald het herstel wel op te kunnen pakken, is onderzoek nodig naar wat dan de beste opties zijn en waarbij de bodemfauna en karakteristieke vegetatie op oude bosgroeiplaatsen niet verloren mogen gaan. Het doel van het onderzoek is daarom om hiervoor een strategie te ontwikkelen, waarbij een combinatie van maatregelen op noodzakelijke punten herstel kunnen bewerkstelligen, terwijl ze de minste negatieve impact op bestaande natuurwaarden hebben.